In het begin van de jaren dertig werden deze gebouwd als werkkampen voor werkelozen. Kamp De Pierik is volgens enkele van mijn zegslieden net voor of in het begin van de Tweede Wereldoorlog opgeheven. Kantinebaas was indertijd Bertus Klein Brinke. Ook Grada Brandenbarg, die later nog een negental maanden op kamp De Zomp werkte, was hier tewerk gesteld ( min of meer verplicht omdat haar vader als kleine landbouwer ondersteuning ontving uit het landbouwfonds ). Op foto's uit 1933 van de wekelijkse fotobijlage “ Gelderland in Woord en Beeld “- van De Graafschapbode- staat een groep werkelozen uit Utrecht afgebeeld tijdens een bezoek van Ir. Westhoff aan kamp De Zomp. Zij waren via de werkverschaffing werkzaam voor de Heidemij en moesten de schop en kruiwagen hanteren bij de verbetering van de waterafvoer van de beneden Slinge.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Ir.C.Staf directeur van de Heidemij en tevens voorzitter van Culano = (Commissie uitzending landbouwers naar Oost Europa.) Op 22 nov.1941 zwaaide hij op het station van Oldenzaal 100 Oostboeren uit die vrijwillig gingen boeren op de door de Duitsers veroverde landbouwgronden in Oost Europa..Half februari 1942 vertrokken nog eens 400 boeren naar het oosten.
Honderd vijftig ervan keerden terug omdat het hen erg tegenviel. Van de anderen
werden er tientallen door partizanen gedood.
( Staf werd na de Tweede Wereldoorlog minister van defensie!)
Het
kamp De Zomp was gelegen aan de huidige Koergerweg, ongeveer vanaf de plek waar
later de fam.Kalff een woning zou bouwen tot de plek waar de nieuwe woning voor
de fam.Haneveld is gebouwd. De stukken grond waarop het kamp stond droegen de
veldnamen Kattekop en De Zomp.
Kamp De Pierik lag een stuk verderop in de richting Borculo tussen de
boerderijen Pierik en Venneman. Beide kampen beschikten over een
ontspannings-en een slaapbarak. Van de kok van kamp de Pierik (Dooyerweerd)
verdronk een zoon tijdens het zwemmen in zwembad het Galgenveld in de Dijkhoek.

Op de hoek van de Borculoseweg en de Koergerweg woonde indertijd op het
huisnummer F 31 de familie Eggink ( de boerderij heette 'De nieuwe Zomp' en moet
nu anno 1999 plaats maken voor de rondweg). Een dochter van deze familie was
getrouwd met kantinebeheerder Willem Eenkhoorn van kamp De Zomp en zij was er
zelf ook werkzaam.
De Zomp bestond uit twee barakken, de woning van de kok met daaraan vast de
keuken, een kantine, een washok en een fietsenhok.
KLIK
HIER VOOR AANVULLENDE INFORMATIE UIT HET TIJDSCHRIFT "DE SCHAKEL".
Als de oorlog uitbreekt blijft het vooralsnog een kamp voor werkelozen. Tot de
bezetter het nodig acht de Nederlanders -via de arbeidsbureaus- verplicht in
Duitsland te laten werken.
Dat lot treft ook Willem Eenkhoorn in 1942. Hij zal pas eind mei 1945 te voet
vanuit Osnabruck naar huis terug keren. De plaatsen van de verplicht naar
Duitsland gestuurde Nederlanders worden ingenomen door Nederlandse SS'ers, die
de joden die er dan gehuisvest worden zullen bewaken.
Via de Joodse raad komt er een bericht bij de Nederlandse joden in de bus dat
diegenen die werkeloos zijn vanaf dat moment ( in Amsterdam was dit b.v. in
januari 1942 ) tewerkgesteld zullen worden in Nederlandse arbeidskampen.
In het noorden van Nederland zijn dit o.a. de z.g. slikkenkampen aan de noord
Groningse kust, waar zij -net als voorheen de gewone werkelozen uit zee land
moesten maken.
In Hoogeveen was het kamp Geesbrug gevestigd evenals kamp Kremboong. Hier moest
men aardappels rooien.
In Ruurlo kwamen de joden terecht in kamp De Zomp. Zij werkten o.a. aan het kappen van dennen en het graven van sloten bij 'de Zeuven heuveltjes'. Deze plek werd later nog een tijd het jöddenbos genoemd. ( Er bestaan in Ruurlo ook nog de veldnamen jöddenkamp en jöddenbos in het gebied tussen de Hengelose en de Zelhemseweg, deze hebben echter niets met de Tweede Wereldoorlog te maken.)
Bij alleen tewerkstelling van de joodse medeburgers bleef het echter niet; Al
deze Heidemij kampen waren in feite verzamelplaatsen van waaruit men later naar
Westerbork , de voorhaven voor deportatie naar de vernietigingskampen gestuurd
werd.
Het besluit om joodse werkkampen in te richten werd op 10 oktober 1941 genomen
door de Duitse rijkscommissaris Seyss-Inquart. De joodse raad onder leiding van
prof.dr. D.Cohen en A.Asscher ging er mee akkoord werkeloze joden naar het
noorden en oosten van Nederland te sturen.
Zij moesten daar werken onder toezicht van de Heidemaatschappij en de
Rijksdienst voor werkverruiming. Zo ook in kamp De Zomp.

Kamp de Zomp entree foto arch.w.bluemers
Dat de arbeidsbureaus daar driftig in 'bemiddelden' vatte de joodse raad als normaal op. De joden verdienden twintig procent minder dan de niet joodse arbeiders in de werkverschaffing, een onrechtvaardigheid die niet het minste protest van de Joodse raad uitlokte.
De kampen pasten precies in de opzet van de bezetter, zo schrijft dr. L.de Jong in 'De bezetting' . Hij - de bezetter - zag die kampen als een fuik; allen die zich erin bevonden, zou hij te gelegener tijd met één grote actie kunnen grijpen en deporteren...
Wie weigerde riskeerde het concentratiekamp Mauthausen, zo waarschuwde het
joodse Weekblad. "Het gaat om de gewone Nederlandsche arbeidskampen onder
gewone Nederlandsche leiding", aldus het blad.
De Groningse Rijksinspecteur voor de werkverschaffing de Ir. A. Kwast, kreeg van
zijn baas, de Rijksdienst voor de werkverruiming van het Ministerie van Sociale
zaken, de opdracht het voormalige werkvoorzieningkamp Sellinger-beetse in
Z.O.Groningen gereed te maken voor 450 joden. Hij weigerde dit en vroeg in
februari ontslag. Later zou hij in het verzet belanden. In 1944 is hij gepakt en
te Westerbork gefusilleerd.
Door de Nederlandse S.S.ers, die in februari 1942 het roer overnamen op kamp De
Zomp, wordt op beestachtige wijze huisgehouden onder de joden die er dan
verblijven. Het gehuil van de mishandelde joden was bij de familie Eggink ( op
ruim honderd meter afstand ) te horen.
PRIVATE Een vlucht uit kamp De Zomp.
De Denekamper jood Benno Elkus, die als lid van de roemruchte compagnie wielrijders het tijdens de Duitse inval op moet nemen tegen tanks, raakt na de capitulatie zijn baan in de Enschedese textielfabriek van Menko al snel kwijt, omdat in het bedrijf voortaan alleen nog maar plaats is voor 'ariërs'. Zijn vriend Bernhard Scholte Lubberink bezorgt hem een baan in de klompenmakerij, maar ook dat duurt niet langer dan een half jaar.
"Ik was in de synagoge toen het bericht kwam dat ik thuis moest komen", herinnert hij zich. "Er lag een oproep. We moesten ons zogenaamd vrijwillig melden voor werk in een kamp van de Heidemaatschappij in Ruurlo.
Hier op de Brink in Denekamp ben ik op de bus gestapt. In De Zomp, zo heette dat kamp, ontmoette ik mijn broer Jacob, die er als een paar dagen was".
In het kamp is Benno Elkus belast met de verzorging van bejaarde joden uit Amsterdam, terwijl de rest sloten moest graven. Zijn vriend Scholte Lubberink rijdt af en toe meer dan honderd (?) kilometer om hem door het prikkeldraad om het kamp eten aan te reiken.
Aan de tot dan redelijke behandeling door de bewakers komt een eind als de kampcommandant op cursus is geweest in Steenwijk. (Door Van Groningen wordt de commandant Van Beek genoemd; echter meerdere zegslieden benadrukken dat dit Kalsbeek of Kalfsbeek moet zijn ).W.Bl.
Hij kwam terug als een beest. Hij schold, vloekte, tierde en doorzocht al onze kamers op het bezit van etenswaren. Alles wat hij vond, van kaas tot kool, werd in één pan gekookt en die grijze drab moesten wij eten."
Als het kamp eind 1942 geheel wordt omsingeld door Duitse S.S.ers met overvalwagens, weten de gebroeders Elkus wel hoe laat het is. " Liever een kogel, dan op transport naar de gaskamer.", zegt Jacob Elkus tegen zijn oudere broer. - Benno was zeven jaar ouder - Welk lot hen wacht weten ze na het bericht dat hun broer Lutse in het kamp Mauthausen is gestorven.
In het doodsbericht hadden de Nazi's nog fijngevoelig opgemerkt dat de as van de overledene voor het luttele bedrag van twee gulden kon worden toegezonden.
De broers weten door een sleuf die ze onder het prikkeldraad hebben gemaakt, dwars door een bietenveld te ontkomen.
Na een zwerftocht door de omgeving, waarbij ze in het donker in de doolhof terechtkomen en daar onder takken overnachten, zien ze kans om na drie dagen van omzwervingen bij de bevriende familie Tol in Enschede te geraken. Daar worden ze echter door een overijverige N.S.B.er opgemerkt en ze vluchten - hals over kop op hun pantoffels - opnieuw. In de gierkelder bij de familie Holskorte in Beuningen zijn ze veilig. Ze worden door Gait, een aangenomen zoon, dagelijks van pap, aardappelen en melk voorzien. Hij brengt hun het bericht dat alle joden in Denekamp zijn opgehaald. " Wij hebben écht in de ondergrondse gezeten." zo zal Benno Elkus later zeggen. Zij overleven de oorlog...
Van de honderd joden die in het Ruurlose kamp verbleven zullen er slechts vier overleven....
Benno en Jacob Elkus bleven als enige twee van de eens zo bloeiende Denekampse
Joodse gemeenschap over, en trekken naar Israël.
Benno Elkus is in mei 1988 vanuit Australië, waar hij dan al weer jaren woont
terug in Denekamp bij de onthulling van het Monument.
" Het joodse volk heeft altijd goed onthouden wie het kwaad en wie het goed hebben gedaan. " zo zal hij na de plechtigheid zeggen.
Na de oorlog, en Elkus vertelt het emotieloos, heeft hij tijdens een wandeling
in Dieren waar hij nog even woonde, een ontmoeting met zijn voormalige
kampcommandant, die er met zijn vrouw liep te winkelen.
" Nee, ik ben hem niet aangevlogen. De verbazing was te groot denk ik. Hij is
later alsnog aangeklaagd, maar ik heb er nooit meer wat van gehoord.
Ik vrees dat hij zijn straf ontlopen is."
In de winter van 1944/45 kreeg Ruurlo enorm veel vluchtelingen te verwerken.
Pater Roeloffzen de "ziel" van vluchtelingenzorg was hele dagen in touw en
belastte zich met de ophaaldienst en zorgde voor personeel. De heer Menkveld was
bereid als voedselcommissaris op te treden, en als kok was de beheerder van kamp
De Zomp ingeschakeld. Dat was volgens mijn informanten ene Kalsbeek.
Noodziekenhuis.
25 maart 1945 werd kamp "De Zomp" als noodziekenhuis ingericht. onder leiding
van zuster Sprong. Tevens was er een noodziekenhuis in het toenmalige gebouw
van de wijkverpleging a.d. Groenloseweg. Toen begin april vele Hollanders terug
kwamen uit Duitsland lagen deze al snel vol patiënten.
Deze mensen waren in zeer slechte toestand, zaten vaak onder de luizen en de
schurft. Na een behandeling tegen deze ongemakken door de plaatselijke artsen
De Lind van Wijngaarden en Naeff, werden ze elders ondergebracht. Op 1 juli
1945 werden de noodziekenhuizen opgeheven.
Veel feiten zijn in dit stuk onbesproken gelaten. B.v. de namen van
leveranciers van aardappelen, groenten etc. De boeren die de beerputten
leegden. De mensen die er schoonmaakten enz. Ik heb alleen die namen gebruikt
die rechtstreeks te maken hadden met mijn informanten. Hierdoor ben ik
natuurlijk lang niet volledig. Dat was ook niet mijn bedoeling; ik heb slechts
een stukje van de Ruurlose geschiedenis willen laten zien dat we nooit mogen
vergeten.
Wim Bluemers nov.1999
Bronnen:
"'t Onderschoer" 1986 nr.1 van Stichting Heemkunde Denekamp.
”Dagblad Trouw;" Terug bij de oorlogsgierkelder" door Gerben Kuitert. 4-5-'88
D.G.P." De fuik van de joodse werkkampen." Kees Stolk 3 mei 1992
Transvaal dat lig in Reurle. Old Reurle 1992
Er op of er onder. Bijdrage: H.K.van Groningen 1946
De tweede W.0. Lekturama. De verschrikkingen van het Nazi systeem. pag.100/102
Gesprekken in 1993 met:
mevr; Eenkhoorn-Eggink te Hellendoorn
dhr.Joh. Eggink te Ruurlo.
Gesprek op 2 februari 1993
met mevr. Ter Meer-Brandenbarg.
Zie ook:
www.joodsewerkkampen.nl